Details

Geplaatst door op 2012-10-22

In het najaar van 1970, namen maatschappelijk werkers de voogdij van een 13-jarig kind die een groot deel van haar leven geketend was aan een onbenullige stoel in haar slaapkamer. Ze kon niet praten, lopen, of reageren op andere mensen. Ze heette “Genie”. Haar zaak trok de aandacht van psychologen die erachter wilden komen of ze nog zou kunnen leren praten. In die tijd geloofden sommige taalkundigen, onder leiding van MIT’s Noam Chomsky, dat menselijke spraak een genetisch geprogrammeerd vermogen is. Eric Lenneberg, een neuropsycholoog, dacht er net zo over als Noam Chomsky, maar voegde er verder aan toe dat als een persoon niet leert te spreken voor zijn of haar adolescentie, het natuurlijke vermogen om een taal te leren voor eeuwig verloren zou gaan. Deze theorie is de zogenaamde “critical period hypothesis.”

Hoewel Genie zich in een situatie bevond die wetenschappers nooit opzettelijk zouden kunnen en mogen creëren om hun theorieën te testen, maakte haar ongelukkige omstandigheden en jeugd haar tot een uitstekende kandidaat voor experimenten. Genie was de puberteit voorbij. Als ze nog steeds kon leren praten, zou de critical period hypothesis aan het wankelen worden gebracht. Uiteindelijk werden Genie’s verzorgers bekritiseerd voor het combineren van hun onderzoek met haar behandeling.

Plaats een Comment!